KNIR (Koninklijk Nederlands Instituut in Rome)

Het KNIR roept associaties op met het KNIL maar dat slaat nergens op.

Het KNIR noemt zichzelf in alle bescheidenheid “Campus of Excellence van Nederlandse universiteiten in het historische en culturele hart van Europa”. Het KNIR is het oudste en grootste van de Nederlandse Wetenschappelijke Instituten in het Buitenland (NWIB), en staat onder beheer van de RUG, de UU, de UL, de UvA, de VU en de KUN.

Het staat voor “hoogstaand onderzoek en interdisciplinair onderwijs in de geesteswetenschappen, waarbij het een brugfunctie vervult tussen de Nederlandse universiteiten en de academische wereld in Italië”. Het Instituut organiseert cursussen voor studenten van alle niveaus en opleidingen, en het stelt beurzen en onderdak in Rome ter beschikking aan excellente studenten en onderzoekers in verschillende disciplines.

Het KNIR is gehuisvest in een statige villa in de Valle Giulia, aan de rand van Villa Borghese (dat is een pars pro toto voor het park om de eigenlijke villa heen; zo heet ons park bijvoorbeeld “Villa Pamphili”). In de Valle Giulia bevinden zich musea (o.a. Galleria Nazionale d’Arte Moderna) en wetenschappelijke instituten van verschillende landen.

De KNIR beheert een naar eigen zeggen unieke bibliotheekcollectie en voert een rijk programma uit van congressen, lezingen en culturele activiteiten.

Ik was er om deel te nemen aan de “Conferenza”: “Un Regno di Repubblicani – la monarchia olandese e le sue radici repubblicane” (over het grappige verschijnsel dat Nederland van oorsprong republiek was en pas later monarchie is geworden, terwijl veel andere Eurpose landen de omgekeerde weg hebben bewandeld) door het wetenschappelijk staflid Geschiedenis van het Instituut (Nederlander). In het Italiaans want er zijn kennelijk Italianen die zich voor dit onderwerp interesseren. Dat bleek ook wel, van de ca. 25 deelnemers was zeker de helft uitsluitend Italiaans-sprekend. Wel knap zoals de spreker zijn verhaal in vloeiend Italiaans hield: de stafleden van het KNIR zijn maar voor drie jaar in Rome, op détacheringsbasis.

Het Instituut ademt een zekere pretentieuze deftigheid uit, ook nauwelijks te vermijden bij deze riante locatie. Na de lezing was er een “rinfresco” in een sfeervolle ontvangstzaal, waarbij de prosecco werd ingeschonken en de verfijnde hapjes werden rondgebracht door een gehandschoende, in wit livrei gestoken bediende. Dat is nog eens wat anders dan fris en een schaal met blokken kaas in de tochtige hal van het Auditorium van een Nederlandse universiteit. Of de pretenties van het Instituut waargemaakt worden moet ik nog eens bij een niet-betrokken wetenschapper in de humaniora navragen.